Hemelpoort

Submitted by Peter on Sun, 01/09/2022 - 11:00

Het is niet iets dat alleen mensen doen die rond een kampvuur zitten, het is niet iets dat alleen jongens van 16 doen, of jongens die elkaar kennen van de padvinderij. Het is wel zo dat jongens van 16 die elkaar kennen van de padvinderij graag ‘s nachts buiten bij een kampvuur zitten, de vlammen voor hen, een kleine ring van licht om hen heen, en diepe duisternis daarbuiten. Het moet een gevoel van verbondenheid geven, zo rond dat kampvuur, ergens ver weg in de bossen of op de hei. Een gevoel dat het mysterie van het leven dichtbij is, ergens in die vlammen. Of in de duisternis rondom.

We zullen het ook wel hebben gehad over de dingen die 16-jarigen bezighouden. Of je nog een biertje wilde. Over brommers, en de auto’s die we ooit wilden kopen. Over oudere broers die dingen deden die wij ook wilden doen. Of je die ene oudere scout ook zo’n lul vond.  Wie er een kans zou maken bij dat ene meisje van de gidsen, onze vrouwelijke tegenhangers van 16. En of je nog een biertje wilde. We vroegen niet naar die ene docent die net zo’n grote lul was of dat meisje op school, want we zaten niet op dezelfde scholen. We kwamen wel allemaal min of meer uit dezelfde buurt van ons dorp, maar sinds de lagere school waren de wegen uiteengegaan. Hele verschillende jongens waren we geworden. De ene zou al na de LTS gaan werken, een ander zou tot zijn 28e doorstuderen. Er zouden er verdwaald raken in drugs en zelfs criminaliteit terwijl voor anderen de eerste en soms zelfs enige vaste relatie dichterbij was dan we ons op dat moment konden voorstellen. Maar waar we ook vandaan kwamen, waar we ook naartoe op weg waren, we waren heel bewust padvinders gebleven en wisten zo onze vriendschappen nog een aantal jaren te verlengen. Jaren waarin we elke vrijdagavond met elkaar de bossen in togen, de hei op, om onszelf te ontdekken tijdens speurtochten en onze energie kwijt te raken in allerhande vechtspellen. Om op zaterdag oud papier op te halen in onze buurten, en oude spullen voor de volgende rommelmarkt. Het was vaak sjouwen en balanceren op smalle zoldertrappen met loodzware wasmachines om het geld te verdienen waarmee we in de zomer wat verder weg van huis konden trekken om onze tenten op te zetten in de veel uitgestrektere bossen van de Kempen, de Ardennen of de Vogezen. En soms gingen we in kleinere groepjes een weekendje weg. Dan trok het kampvuur weer. Een avondlang met elkaar praten. En naarmate de ogen langer in de vlammen staarden, kwamen er andere onderwerpen bij. Dingen die niet van alledag waren, en daarom alleen op zulke avonden echt overdacht leken te worden. En dan op onze manier, in onze woorden, en zonder die betweterige oudere broers, vaders of ooms die thuis op de familiefeesten het toch altijd beter wisten. Maar wij vroegen ons ook af of er oorlog zou komen, of de westerse beschaving zijn beste tijd gehad had, of de wereld niet zou vergaan door milieuvervuiling of een ongeluk met een kerncentrale. En dan passeerde er altijd wel een ziekte die iemand in de naaste omgeving van een van ons was overkomen. En de dood die iemand al van dichtbij had meegemaakt. Of er leven na de dood zou zijn?

Het onderwerp had dat weekend extra zwaarte voor ons gekregen. Die middag, nadat we onze tenten hadden opgezet en de omgeving waren gaan verkennen, waren we in het bos op een oude, vervallen villa gestuit. Hij stond daar zomaar ineens voor ons. Het was bijna als een spookverschijning. Of een venster op een andere dimensie, een andere wereld. Als er ooit een tuin omheen was geweest, had het bos die al lang geleden weer opgeëist. En wat ooit een oprijlaan moest zijn geweest, ontdekten we pas toen de eersten van ons zich dichterbij waagden, richting dat wat de hoofdingang van weleer leek.  Van daaruit zagen we ook het overwoekerde pad door het bos, en aan het eind ervan een openstaand, half uit zijn hengsels hangend verroest hek.

‘Jongens, deze kant op,’ klonk het.

De voordeur bleek open, misschien wel ooit opengebroken, en erachter lag een grote hal met een brede trap naar boven. Het was een rotzooitje binnen, en je kon zien dat er kleine brandjes waren gesticht. De kamers aan weerszijden van de hal leken leeg en de vloeren waren opengebroken of ingestort. ‘Kom, laten we binnenkijken,’ zei een van ons.

‘Dat is gevaarlijk, man’ zei een ander.

Maar ja, 16 jaar: een blik over de schouder, ogen die instemming zoeken in de groep, en dan die eerste vermetele stap naar binnen.

De stenen vloer van de hal hield het, dat scheelde weer.

Hoewel langzaam en voorzichtig, volgde de een na de ander en voor we het wisten werden alle vertrekken verkend, zij het vooral vanuit de deuropeningen. Het was leeg, natuurlijk. Als het niet leeg was geweest, was het spookbeeld waarschijnlijk sterker geworden dan de nieuwsgierigheid. Maar de schemerige leegte bleek niet zo heel lang spannend. De trap. Daarboven, waar de schemering nog wat dieper leek, lag de volgende uitdaging.

‘Ik ga boven kijken. Wie gaat er mee?’

Er was al niemand meer die protesteerde. Er waren er wel die zorgden dat de anderen voorgingen.

De stenen trap was echter stevig genoeg en de groep bleef bij elkaar om op de bovenverdieping hetzelfde ritueel te herhalen als beneden en alle kamers te onderzoeken. ‘Jongens, hier.’

Het leek erop dat we niet de eersten waren die de villa hadden ontdekt. Er lagen slaapzakken en lege flessen, maar in de slaapzakken hadden ook al dieren gehuisd en de flessen waren dof en aangetast. ‘Daklozen misschien?’ vroeg iemand.

‘Misschien dat er hier vroeger feesten werden gegeven of zo’ opperde een ander. Dat idee, dat jongeren uit de buurt hier hun toevluchtsoord hadden gehad, leek de nieuwgierigheid nog wat meer te prikkelen, en nu gingen we de kamers in. ‘Die vloeren beneden’ durfde iemand toch wel in herinnering te brengen, ‘waren ingezakt. Willen jullie naar beneden flikkeren of zo?’

‘Ik blijf langs de kant lopen,’ zei de dapperste en verst gevorderde uit de groep.

‘Blijf langs de muren,’ zei ook een ander.

Iets had hun aandacht getrokken. Achterin de grootste kamer stond een deur open en daarachter leek veel meer licht te zijn dan elders op de bovenverdieping. Het was onweerstaanbaar en waarschijnlijk ook omdat niemand alleen wilde achterblijven, schuifelden we door de grote kamer richting het licht. ‘Man, dit is gaaf,’ zei de eerste die de deur had bereikt.

‘Wat zie je?’ 

‘Een of andere koepel van glas.’

Dat wilden we allemaal zien. Maar op het moment dat we allemaal door de deur heen waren en met onze hoofden in de nek naar boven keken, door de wonderbaarlijk grotendeels heel gebleven glazen koepel naar de wuivende boomtoppen om ons heen en de prachtige witte wolken hoog in de lucht, begaf de houten vloer onder ons het.

 

Iedereen zou zich de verschrikte ogen van de anderen herinneren. Ineens wit geworden gezichten. Lichamen die zich nog schrap probeerden te zetten. En toen een voor een verdwenen in een donkere leegte die vanuit het midden van de kamer alsmaar groter werd en ons allemaal opslokte. Het moest in een oogwenk zijn gebeurd, maar allemaal zagen we hoe de vloer in slow motion onder ons wegzakte en het zwarte gat dat zo ontstond onze vrienden meezoog alsof ze werden verzwolgen in een draaikolk.

Iemand zou zich herinneren dat hij aanvankelijk aan een balk was blijven hangen en onder zich alleen maar duisternis en stof kon ontwaren. Een ander die het verst de kamer met de koepel in was gelopen, stond als eerste weer buiten en besefte meteen dat hij door en over de brokstukken van de vloer heen en op de een of andere manier langs al zijn vrienden heen, zonder ze te zien, aan de chaos was ontsnapt. Maar ook dat was in een oogwenk, want terwijl de stofwolk de hele benedenverdieping   vulde, wisten we allemaal de hoofdingang en het snel vervagende licht te bereiken.

Daar stonden we hoestend, stof van onze kleren afslaand, vermeend letsel controlerend, met puur ongeloof op onze gezichten naar elkaar en de donkere stofwolk binnen te kijken.

‘Weg hier, jongens.’

‘Zijn we er allemaal uit?’

‘Jezus, man, dat was levensgevaarlijk.’

‘Kom, weg bij die muren.’

‘Weg.’

 

We konden het voor onszelf niet verklaren, hoe we allemaal heelhuids uit dat geweld hadden kunnen ontsnappen, maar we wisten en we zagen aan elkaar dat het een onuitwisbare indruk had gemaakt. Alsof de snelheid waarmee de vloer onder ons was weggezakt, en het ogenschijnlijk vertraagd bewustzijn waarin we elkaar in dat zwarte gat zagen verdwijnen, op de een of andere mysterieuze manier een boodschap in zich droeg.

Die avond bij het kampvuur voelden we het eens te meer, toen de ondergang van de wereld en de dood van naasten onthulden welke diepe angsten bij ieder van ons leefden. Iemand moest het vragen. ‘Jongens, wat is er vanmiddag gebeurd?’

‘We zijn stom bezig geweest.’

 ‘Dat bedoelt hij niet. We hebben allemaal iets gevoeld. Jij toch ook?’

‘Hoe snel het mis kan gaan, dat in ieder geval.’

‘Hoe machteloos we waren.’

Iedereen sprak zich uit en alsof we er daar op dat moment, nog bij elkaar en met de herinnering nog zo overweldigend aanwezig, iets van betekenis of zin in wilden zien, vroeg iemand:

‘Heeft iemand van ons wel eens iets gezien van wat er na de dood kan zijn?’

We zwegen even, denkend dat we die middag de dood misschien wel in de ogen hadden gekeken. En dat we eraan waren ontsnapt.

‘Vanmiddag,’ zei iemand, ‘toen we een voor een vielen, en op de een of andere manier allemaal naar buiten zijn gekomen zonder elkaar in die kamer  nog te zien of tegen elkaar aan te lopen of wat dan ook, leek het wel of we even ergens anders waren. Ik weet niet hoe ik het moet zeggen. Hoe ik het moet uitleggen.’

Iedereen zweeg. Sommigen slikten hoorbaar.  Wat het ook was geweest, er was meer geweest dan schrik en verbazing. Alsof er een besef van een ander soort tijd was ontstaan.

We zagen het nog niet, maar boven ons trok het wolkendek langzaam open en scheen het licht van een nog onzichtbare maan vanuit een snel groter wordende diepblauwe ruimte op de rafelranden van de wolken.

Tot een van ons het wel zag.

‘Kijk eens.’

Hoog boven ons was in de wolken iets ontstaan, een opening, bovenin halfrond en dan met recht naar beneden lopende randen, met daaronder afwisselend door de maan beschenen witte flarden van de wolken en nog donkere stroken ertussen, als een poort en een trap die ernaartoe leidde.

Image removed.

We hebben gekeken. En gezwegen, tot het schouwspel als vanzelf weer verdween. Of we er na dat weekend ooit nog met elkaar over hebben gepraat? Waarschijnlijk niet. Ons avontuur in het huis zal naarmate de tijd verstreek, door een ieder van ons zijn verwoord als dom. En spannend. Gevaarlijk. En als iets wat je doet als je 16 bent. Voor onze hemelpoort waren op het moment zelf geen woorden te vinden, laat staan later. Maar er was wel een besef geboren daar, die nacht. Een besef, een zeker weten dat niet van deze wereld was. Iets waar het nog geen tijd voor was.